In hoofdstuk 2 van module 2 ging het over Vitaminen en mineralen. Maar liefst 268 pagina’s aan informatie. Ik zal heel eerlijk zijn dat ik behoorlijk lang met dit hoofdstuk bezig ben geweest. Niet omdat het saai was, wel omdat het veel informatie betrof.
Het laat maar weer eens zien hoe goed de opleiding in elkaar steekt! In plaats van dat alles voorgekauwd wordt: Bij deze klacht moet je deze voedingstoffen laten voeren… Krijgen we een grondige basis mee. Daarmee kunnen we zelf nadenken over wat handig zou kunnen zijn in welke situatie.
Als eerste kregen we wat meer informatie over wat vitaminen en mineralen nu eigenlijk zijn. In welke groepen ze kunnen worden opgedeeld en hoe het zit met interacties onderling.
Vitaminen
Ik leerde dat er twee types aan vitaminen zijn, namelijk de vetoplosbare vitaminen (A, D, E en K) en de wateroplosbare vitaminen (o.a. de B vitaminen). De vetoplosbare vitaminen worden opgelost in vetten en daarna opgenomen in de dunne darm. Deze kunnen worden opgeslagen en daarmee heb je risico op een overschot.
De wateroplosbare vitaminen worden ook opgenomen in de dunne darm, maar worden eigenlijk niet opgeslagen in het lichaam (behalve B12). Waardoor de kans op teveel kleiner wordt, maar waarbij het belangrijk is dat dieren (en ook mensen) ze elke dag binnen krijgen.
Elke vitamine kwam aan bod: waar is het belangrijk voor? Welke klachten horen bij een tekort of overschot? Waar moet je op letten als je ze combineert?
Mineralen
Bij de mineralen kun je ook een onderscheid tussen twee groepen maken. De macro mineralen en de spoorelementen. De macro mineralen komen in relatief grote hoeveelheden voor en zijn dus meer nodig. De spoorelementen zijn juist in kleine hoeveelheden vereist maar mag je absoluut niet negeren.
Ook hier kwamen alle mineralen langs. Wat doen ze, hoe werken ze samen of juist tegen elkaar. Welke klachten horen bij een tekort of een overschot? Op deze manier kun je verbanden leggen en kijken waar je rekening mee moet houden bij bepaalde klachten.
Uiteraard werd er ook stil gestaan bij de grenzen in het werk van een integraal voedingstherapeut. Voor de duidelijkheid, we stellen géén diagnoses! Daarvoor bestaan er dierenartsen die daarvoor gestudeerd hebben. Bij dieren met klachten is het super belangrijk om een dierenarts in te schakelen om zaken in kaart te brengen en een diagnose te stellen en indien nodig een behandeling op te starten.
Functionele en relatieve tekorten
Een super interessant onderwerp wat hierop aansluit is die over tekorten. Vanuit de dierenarts kan er een bloedonderzoek worden gedaan naar vitamines en mineralen. Zo kan er een uitslag zijn dat de waarde voor vitamine D onder het laagste punt van het referentiekader is. Dan zal de dierenarts een behandeling voorstellen en moet je daar rekening mee houden in je voeding.
Er zijn echter ook waarden die laag zitten, maar nog niet gezien worden als een tekort. Wil je dat een dier optimaal functioneert, dan wil je daar ook rekening mee houden. Het dier is nog niet ziek, maar je wilt ook niet dat de waarde verder zakt. Dus kun je daar bijsturen. Je kunt bijvoorbeeld wat extra groenten geven waardoor het dier wat meer van een bepaalde vitamine binnenkrijgt. Je wilt tekorten al vroeg signaleren en voorkomen dat een dier daadwerkelijk klachten ontwikkelt.
Ik heb geleerd hoe ik deze uitslagen moet lezen en hoe ik kan bepalen of er bijsturing nodig zou kunnen zijn.
Houdbaarheid
Ook kwam de houdbaarheid van vitaminen en mineralen aan bod. Wist je dat er best wel veel factoren zijn die invloed hebben op de kwaliteit van de voedingstoffen? Denk daarbij niet alleen aan zuurstof en vocht, maar bijvoorbeeld ook licht, temperatuur en bereidingsduur. Sommige vitaminen bederven bijvoorbeeld sneller als ze in de zon liggen. Andere kunnen bijvoorbeeld niet zo goed tegen koken of juist tegen invriezen. Dat heeft allemaal invloed op hoeveel van de vitaminen en mineralen overblijven tijdens het eten. Hoe langer een zak voer openstaat, hoe groter de kans is dat er bederf plaatsvindt.
Ook werd er besproken wat de invloed van het milieu op voedingstoffen is. Bijvoorbeeld een slechte bodem zorgt voor minder voedingstoffen, de dieren in het voer krijgen ander eten, waardoor de kwaliteit verschilt per bron.
Waarom dit belangrijk is? Zo kijken we kritisch naar hoeveel vitaminen en mineralen nu echt overblijven in bijvoorbeeld brokken. Daarmee kun je zorgen dat het menu wat je uiteindelijk samenstelt, zo goed en gezond mogelijk is voor het dier in kwestie.
Ik vond het weer een waardevol hoofdstuk, ondanks dat het soms ook wel een beetje droge stof was.